Search through the Arch-I-nfo database:

Rekcoëfficient

Met het rekcoëfficient duid men de meetlengte aan, welke een op trek belaste proefstaaf heeft op het ogenblik van breken. Aangezien de staaf plaatselijk insnoert, is deze verlenging niet gelijkmatig over de gehele lengte van de staaf verdeeld. Daarom is de rekcoëfficient des te kleiner naarmate de meetlengte groter is. Volgens de Nederlandse voorschriften (V 1035, deel IV) moet voor staal Qm 37 de rekcoëfficient voor de proefstaaf dp 5 ten minste 25 % bedragen, wat overeenkomt met 22 % voor de proefstaaf dp 10.

Hoewel deze cijfers reeds duiden op een grote taaiheid van het materiaal, geeft dit nog geen juist beeld want er wordt maar op een zeer kleine meetlengte gemeten ter hoogte van de breuk. Ter hoogte van de breuk is, bij een insnoering van 50 % de rekcoëfficient niet minder dan 100 %. Dit wil zeggen dat het staal ter hoogte van de breuk tot zijn dubbele lengte is uitgerekt alvorens te breken.

Belgische normering
De Belgische voorschriften hierover kunnen teruggevonden worden in de normbladen N 117-Beproevingsmethoden; 117,01-Trekproef. Hierin spreekt men van Trek na breuk.

Geen opmerkingen:

Een reactie plaatsen